Het zwartepieten over de financiele crisis

Door Paul Frentrop 7 februari 2015, NRC Handelsblad

Bij het zwartepieten over de financiële crisis heeft de politiek gewonnen. Een overdaad aan nieuwe regels is het gevolg. Maar het zijn juist de toezichthouders op wie we toezicht moeten houden, aldus Paul Frentrop.

Sinds in 2008 het effectenhuis Lehman Brothers ten onder ging, worden alle personen in de financiële sector scheef aangekeken. ‘De banken’ hebben de financiële crisis veroorzaakt en zijn op kosten van de belastingbetaler gered, zo is de communis opinio.

Terwijl in feite de oorzaken van de crisis zowel bij de overheid en de toezichthouders als bij de banken moeten worden gezocht. Een kwart van de arbeidsplaatsen in de sector is inmiddels verdwenen. Maar de Nederlandse belastingbetaler heeft tot dusverre, volgens de Algemene Rekenkamer, juist 5,9 miljard verdiend op de steun die aan banken is verleend.

Maar bij het zwartepieten heeft de politiek gewonnen en dat betekent een overdaad aan nieuwe regels; in Nederland nog meer dan elders. Zo moet iedereen werkzaam bij een bank in Nederland dit jaar een eed afleggen, waarmee hij onder andere belooft ‘de klant centraal te zullen stellen’, hoewel het vennootschapsrecht zegt dat de belangen van alle stakeholders moeten worden afgewogen.

Wie die eed aflegt, valt onder een tuchtrecht dat nog geschreven moet worden, maar als de voortekenen waarheid worden, dan kan hij of zij zonder tussenkomst van de echte rechter een Berufsverbot opgelegd krijgen. Elementaire mensenrechten lijken op bankiers, verzekeraars en pensioenbestuurders niet langer van toepassing. „Selectieve verontwaardiging is een pleonasme”, zei de grote socioloog Joop Goudsblom ooit en inderdaad heeft de mens de neiging te kiezen op wie hij zijn afschuw projecteert. In Nederland zijn dat de mensen werkzaam in de financiële sector.

Het volk is boos vanwege affaires als Vestia en verkeerde producten zoals woekerpolissen – in wezen gedragsproblemen die in de structuur van het toezicht aan de Autoriteit Financiële Markten (AFM) zijn toebedeeld. Maar de sector betaalt de rekening via het toezicht op de soliditeit, dat door De Nederlandsche Bank (DNB) wordt uitgeoefend.

Dat wringt en heeft onbedoelde negatieve gevolgen, zoals een hogere hypotheekrente, een slechtere rechtspositie voor veel burgers en een verminderde bijdrage van de financiële sector aan de nationale welvaart.

De verplichte beroepseed en het nog te formuleren tuchtrecht zijn niet de enige instrumenten die de grondrechten aantasten van burgers werkzaam in de financiële sector. Een sinds drie jaar gebruikt wapen is de ‘geschiktheidstoets’ waaraan bestuurders en toezichthouders bij financiële instellingen zijn onderworpen.

Wie de moeite neemt de ‘Beleidsregel geschiktheid’ door te lezen die ieder moment kan worden ingezet om iemand die reeds in functie is te verwijderen, denkt al snel aan Kafka. Wie deze test ondergaat, wordt beoordeeld op een aantal competenties variërend van ‘authenticiteit’; (gedefinieerd als „dat iemands gedachten en gevoelens in lijn zijn met wat hij zegt en doet”), ‘omgevingssensitiviteit’ („oog hebben voor de ontwikkelingen, machtsverhoudingen en gevoelens binnen de onderneming”) tot verantwoordelijkheid („toont lerend vermogen en beseft dat zijn of haar handelen invloed heeft op de belangen van stakeholders”).

Of iemand over deze competenties beschikt, wordt beoordeeld door een medewerker van DNB. Vindt die van niet, dan kan de getoetste in beroep gaan bij een andere medewerker van DNB. Blijkbaar kan die op basis van dezelfde criteria tot een ander oordeel komen. Deelt medewerker twee het oordeel van medewerker één, dan staat slechts de moeilijke weg naar de bestuursrechter open. Daar zal het niet eenvoudig zijn het oordeel aan te vechten, want de beoordelaar heeft volgens de door de beoordelaars zelf opgezette richtlijnen veel meer ruimte dan de leraar bij een schoolexamen.

Het oordeel is volslagen subjectief, wat de geschiktheids- toets vooral geschikt maakt voor bestuurlijke chantage

Los van de vraag hoe de vaag geformuleerde competenties kunnen worden gemeten, hoeft de getoetste niet over alle competenties te beschikken. Welke wel, kan verschillen van persoon tot persoon. De lijst van competenties is bovendien niet uitputtend. Men kan ook worden afgekeurd bij gebrek aan competenties die niet op de lijst staan. Goedkeuring voor dezelfde functie bij het ene bedrijf impliceert geen goedkeuring voor dezelfde functie bij het andere bedrijf. Goedkeuring is ook afhankelijk van wie er verder in het bestuur zit.

Het oordeel is kortom volslagen subjectief, wat de geschiktheidstoets vooral geschikt maakt voor bestuurlijke chantage. Een kandidaat die de DNB niet aanstaat, krijgt te horen dat hij waarschijnlijk ‘afgetoetst’ zal worden. Om die dreigende smet op de reputatie te voorkomen, trekt de kandidaat zich dan maar terug, als de instelling waar hij bij zou komen te werken dat al niet doet. Zo wordt iemand afgeserveerd zonder enig formeel besluit dat bij de rechter kan worden getoetst.

De angst zit er kennelijk goed in, vrijwel niemand uit de financiële wereld durft zijn stem te verheffen. Weinig onder toezicht gestelden durven nog inhoudelijk in debat met hun toezichthouder te gaan over beleidsvragen. De facto is het nu de toezichthouder die de financiële ondernemingen stuurt. En dat niet alleen. DNB is regelgever, handhaver, aanklager en rechter tegelijk én evalueert ook nog haar eigen functioneren, zoals onlangs in de eigen publicatie met de titel ‘Nieuwe Beleidsregel toetsingen draagt bij aan kwaliteit bestuur financiële sector’.

Dat past niet in een rechtsstaat. Vooraanstaande juristen als Charles Honnée en Herman van Gunsteren hebben hier al op gewezen. Het onderzoek ‘Adequate rechtsbescherming bij grondrechtenbeperkend overheidsingrijpen’ in 2014, uitgevoerd op verzoek van de Raad voor de Rechtspraak, biedt geïnteresseerden een breder kader.

Natuurlijk moesten er na de crises van 2008 en 2010 maatregelen worden genomen. Maar ook voor de wetgever geldt dat matigheid een kardinale deugd is. Wie instanties veel machtsmiddelen geeft, moet niet raar opkijken als die soms op onbedoelde wijze worden gebruikt.

Zo langzamerhand worden de bedoelde en onbedoelde gevolgen van de wirwar aan regelgeving die de afgelopen jaren in Nederland is ingevoerd, duidelijk. Die deken van regels is slecht voor het vestigingsklimaat alhier. Buitenlandse financiële instellingen beginnen Amsterdam al te mijden. Nederlandse financiële instellingen zien hun concurrentiepositie verzwakken.

Buitenlandse investeerders die straks aandelen ABN Amro zouden moeten kopen, verkopen nu aandelen Delta Lloyd omdat die verzekeraar in juridisch gevecht met DNB is gewikkeld over meningsverschillen ten aanzien van de geschiktheidstest.

Dit jaar komt een nieuw wetsvoorstel dat De Nederlandsche Bank de mogelijkheid geeft bestuurders en commissarissen tijdelijk te schorsen. Niet veel beleggers zullen investeren in een bedrijf waarvan de leiding op die manier plots kan worden gewijzigd.

Het is tijd dat het gezond verstand weer tegenwicht biedt aan de verontwaardiging gericht op de banken. Het is verstandig noch doelmatig om Nederlandse financiële instellingen zwaardere regels op te leggen dan elders.

Leave a Reply